Na de energiecrisis in 1979 ontstond in Denemarken het idee om coöperaties
op te richten voor de plaatsing van windmolens. De windmolens moeten elektriciteit
opwekken en daardoor besparen op fossiele brandstoffen in een elektriciteitscentrale.
Een grote windmolen is voor de meeste mensen niet te betalen. Door samen
te werken kan wel een windmolen gekocht worden.
Dit idee waaide een paar jaar later over naar Nederland, waar het werd opgepikt
door de Organisatie voor Duurzame Energie (ODE) in Utrecht. Deze riep de
leden op om ook over te gaan tot de oprichting van windmolencoöperaties.
Enkele leden van de ODE in Venhuizen gaven gehoor aan deze oproep en organiseerden
op 28 april 1986 een voorlichtingsbijeenkomst in de bowlingbaan in Venhuizen.
Op deze bijeenkomst kwamen ongeveer 20 mensen af, waarvan er 7 aangaven
lid te willen worden van een coöperatie.
Op 2 mei 1986 vormden deze
7 mensen een voorlopig bestuur en besloten de Westfriese Windmolen Coöperatie
(WWC) op te richten. Op enkele volgende voorlichtingsbijeenkomsten meldden
tientallen mensen zich aan als lid.
Vooral in Andijk sloeg het initiatief
aan, waarschijnlijk door het enthousiasme van mede-oprichter en latere voorzitter
Pierre Laan. Deze had al enkele jaren een windmolen bij zijn tuindersbedrijf
staan en wilde van Andijk een windmolen-gemeente maken.
In maart 1987 werd een bouwvergunning aangevraagd voor een windmolen langs
de Grootslagweg in Andijk.
Vanwege de nabijheid van het natuurgebied De
Kadijken protesteerden diverse natuurverenigingen, zodat dit plan niet doorging.
Een jaar later had een nieuwe poging wel succes: de WWC kreeg vergunning
voor een windmolen langs de Gedeputeerde Laanweg in Andijk.
Op 10 mei 1988 werd deze eerste molen geplaatst (zie foto). De molen kostte 130.000.
Na aftrek van 30.000 subsidie moest nog 100.000 ergens vandaan
gehaald worden. Dit bedrag werd volledig geleend van de leden. Sommige leden
staken er 100 in, anderen meer dan 10.000. De opgewekte elektriciteit
werd verkocht aan het PEN voor 15 cent per kilowattuur. De molen met een
generator van 75 kilowatt had een jaaropbrengst van 120.000 kilowattuur,
voldoende om het verbruik van 40 huishoudens te dekken. Na aftrek van de
vaste lasten konden de leningen van de leden afgelost worden met een rente
van 4 %. Op die manier investeerden de leden in een schoner milieu en leverde
het ook nog wat op.
Het succes van de eerste molen leidde al in december 1988 tot de bouw van
nog een molen, langs de Cornelis Kuinweg in Andijk. De derde molen volgde
in 1990 langs de Haling in Enkhuizen. Beide molens werden weer volledig
gefinancierd door de leden.
In het bestuur leefde de wens om de molens een naam te geven, net als de
Hollandse windmolens. Een prijsvraag onder de leden leverde de suggestie
op om de molens naar vogels te vernoemen. Om de molens makkelijk uit elkaar
te houden besloot het bestuur om de namen te laten beginnen met de letters
van het alfabet, in volgorde van plaatsing. Zo kregen de eerste 3 molens
de namen Adelaar, Buizerd en Condor.
Inmiddels was het ledental van de WWC gegroeid tot 300. Met de plaatsing van nieuwe molens ging het niet zo snel meer. De mooiste plekjes waren al snel bezet en veel mensen keken een beetje wantrouwend naar deze moderne apparaten. Men was bang voor geluidsoverlast of vond dat ze een te overheersende plaats in het landschap innamen. Daarom duurde het tot 1995 voordat er 2 molens langs de Brakeweg in Medemblik geplaatst konden worden. De molens kregen de namen Duif en Eend. Deze keer was het aanlooptraject wat langer door bezwaren van enkele inwoners van Medemblik. De molens werden nu voor de helft gefinancierd door de leden en de andere helft via een hypotheek.
Daarna werd het nog moeilijker om geschikte plaatsen voor nieuwe windmolens. De provincie Noord-Holland werkte ook niet mee door het verbieden van verspreid staande windmolens. Er mochten alleen nog parken van meerdere windmolens gebouwd worden. Dit beleid is overigens later weer wat afgezwakt. De ontwikkelingen in de windmolenindustrie stonden ook niet stil.
Bij plaatsing van de eerste windmolen keken de leden letterlijk nog hoog op tegen de totale hoogte van 37 meter. Aan het eind van de jaren 90 had een gangbare molen een totale hoogte van 60 tot 80 meter. Het vermogen per molen ging richting 1000 kilowatt, de aanschafprijs steeg tot ver boven een miljoen gulden. Voor de WWC waren dit toch wel grote getallen. Een nieuwe molen plaatsen zou een investering van meer dan een miljoen betekenen. Een tegenvallende opbrengst zou kunnen leiden tot een groot verlies voor de leden die er geld ingestopt hadden. Daarom heeft de WWC vanaf 1995 zelf geen nieuwe molens meer geplaatst.
In 1997 kon de WWC een nieuwe inkomstenbron aanboren: de masten van molens bleken geschikt voor plaatsing van antennes voor het mobiele telefoonnet. Op de Adelaar werd een antenne geplaatst waarvoor de PTT een vergoeding van enkele duizenden guldens per jaar op tafel legde. Een lucratieve zaak voor de WWC. In 1998 is ook op de Buizerd een antenne geplaatst van de firma Libertel (later overgenomen door Vodafone). Nog in hetzelfde jaar is de Adelaar voorzien van een tweede antenne, nu van de firma BEN (later overgenomen door T-Mobile).
In 2004 veranderden de subsidieregels, waardoor een windmolen alleen voor subsidie in aanmerking komt als hij nog minstens 10 jaar zonder problemen kan draaien. Om dat te bereiken zijn de Adelaar, de Buizerd, de Duif en de Eend gerenoveerd, waardoor ze in principe tot het jaar 2014 door kunnen draaien.
Windmolen in oprichtingDe Condor is niet gerenoveerd, want met de gemeente is bij de bouw al afgesproken dat de molen weg moet als een nieuwbouwwijk op korte afstand gebouwd gaat worden.
In december 2007 brak brand uit in de besturingskast van de Condor, waardoor de molen uit bedrijf genomen moest worden. In het voorjaar van 2008 is de molen aan een handelaar verkocht die hem laat opknappen waarna de molen in het buitenland een nieuwe bestemming zal krijgen.